I love you. Ze werd wakker. Had ze gedroomd? De kamer was leeg. Welke kamer, vroeg ze zich eventjes af. Door de hoofdpijn kon ze niet helder denken. Ze hoefde niet helder te denken om te beseffen dat de vier muren om haar heen niet haar eigen veilige kamer vormden. Langzaam drong het geluid van buiten tot haar door. Ze herinnerde zich weer iets, Parijs. Doyle. Waar was Doyle? Ze keek om zich heen. Leegte. Alsof hij er niet geweest was, maar het was een tweepersoonsbed. Was hij echt aanwezig geweest of beeldde ze zich zijn geur alleen maar in? Ze voelde zich vreemd slaperig. Haar keel was droog en ze had een onbekende smaak op haar tong. Met moeite duwde ze haar slappe lichaam overeind. De gordijnen open, met uitzicht op de overburen van de drukke straat. Er kwam een hoest uit haar keel opgekropen en de klank weerkaatste ongemakkelijk tussen de kamermuren. Er had een kluisje gestaan op dat tafeltje, ze wist het zeker. Het duurde even voordat ze aan het licht gewend was. Geen kluisje. Geen koffer. Het enige wat ze zag staan was een dienblad met ontbijt erop. Waarschijnlijk was het room-service. Ze stond wrak op, en liep ernaar toe. Er zat een kaartje bij. Een boarding pass naar New York.
